PAROCHIE SINT JACOBUS MAJOR

Akersloter Pastoors 19de en 20ste eeuw

HOOFDSTUK 1.

Onze eerste parochiekerk dateert van 1275 en stond op de plaats van de huidige kerk van de Protestantse gemeente aan het Dielofslaantje. Een fors gebouw met een flinke toren en toen nog een teken van een onverdeeld christendom en een baken voor de scheepvaart op de nog niet drooggelegde meren. Dit kerkgebouw moest in 1836 wegens bouwvalligheid en achterstallig onderhoud gesloopt worden.

Maar toen dit gebeurde was van een katholieke kerk al lang geen sprake meer; door de komst van de Hervorming en de politieke ontwikkelingen daaromheen werd deze kerk van ons afgenomen in 1573, bleef leeg staan tot 1578 en werd toen gebruikt voor het preken van de nieuwe leer. De dominee besteeg de preekstoel, terwijl de katholieke godsdienst en de uitoefening daarvan officieel verboden werd.

Van 1573 tot 1633 (60 jaar lang) hadden onze katholieke voorouders geen kerkgebouw. De kleine kudde kwam bijeen in particuliere huizen en boerderijen, her en der in ons dorp verspreid. Rondtrekkende priesters deden in het geheim hun werk toen Jacob Dielofse en Nicolaas van Schooten (priesters van Akerslootse afkomst) door overlijden wegvielen.

In 1633 bouwde pastoor Stenius zijn schuilkerk, welke tot 1868 in gebruik bleef en uiteindelijk bijna een bouwval werd. Deze situatie is in de vorige aflevering besproken.

Na het overlijden van pastoor Isink werd op 25 oktober 1865 hier tot pastoor benoemd Wilhemnus Grijskamp, 45 jaar oud en geboren in Zoeterwoude-Segwaard. Zijn opdracht was overduidelijk:  de bouw van een nieuwe kerk voor de Akerslootse katholieken. Pastoor Grijskamp stond bepaald niet alleen voor die taak en kreeg alle steun van zijn parochianen; ze hadden genoeg van de bouwvallige schuilkerk, die bovendien te klein werd voor het groeiende aantal gelovigen; ze hadden ondertussen ook de schuilkerkenmentaliteit van zich afgeschud, wilden zich laten zien en traden naar buiten als goede burgers, die ook hun rechten hadden bij het belijden van hun geloof. Dat alles moest in een nieuw kerkgebouw tot uitdrukking worden gebracht.

De voorbereidingen voor de bouw verliepen heel voorspoedig mede door de grote vrijgevigheid van de parochianen. In het Herdenkingsboek van onze parochie is dat allemaal uitvoerig genoteerd: lange rijen van namen met het bedrag, dat geschonken werd; eigenlijk onvoorstelbaar veel. Al spoedig werd dat een bedrag van fl. 8.400,--.
Uiteraard werd ook langs andere wegen voor financiering gezorgd (aandelen).

Op 6 juni 1867 werd de bouw van de kerk aanbesteed; het ontwerp was van architect Th.Asseler, een bekend kerkenbouwer in die dagen. Kosten fl. 35.000,--. Later verhoogd tot fl. 40.000,-- wegens versteviging van de muren en het verhogen van de toren. Die moest winnen van de Protestantse kerk.

Nog enkele technische gegevens:
Lengte en breedte 36 resp. 13,50 m’;
Lengte van het portaal:  2,70 m’;
Hoogte van de toren:  50 m’, waarvan 30 m’ metselwerk en 20 m’ spits;
Er waren 268 zitplaatsen, verdeeld over 44 banken, eigenhandig en “op contract” gemaakt door timmerman Dirk Krom.

Op het feest van Jacobus (25 juli 1867) werd de eerste steen gelegd door Alida en Jacob Schoorl, kinderen van kerkmeester Arie Schoorl; de andere kerkbestuursleden waren:  Jan Kaptein Sr., Klaas terra, Wilbert Kuijs.
De gedenkplaat van deze eerstesteenlegging is nog steeds in het bezit van onze parochie.

Op maandag 21 september 1868 werd de nieuwe kerk door bisschop G.P. Wilmer ingewijd, nadat de bisschop op zondagavond daarvoor in optocht de parochie en het dorp was binnengeleid.

De nieuwe Jacobuskerk van Akersloot stond er, midden in het dorp; door de hoogopgaande muren en de ranke toren van verre zichtbaar en herkenbaar. De katholieken van Akersloot waren terug van weggeweest, ze telden weer mee! Om dit te illustreren nog een aardig citaat van een boer, die pastoor Grijskamp op bezoek kreeg om geld te verzamelen voor een nieuwe communiebank :  “Zoo mijnheer pastoor, het doet mij plaisier, dat gij weer eens komt (bedelen), want toen we in de oude kerk met onze pooten door den vloer vielen, was ‘t, als je in de stad op de markt kwam en ze een van Akersloot spraken of je van Nazareth kwam; nu echter nemen ze het hoedje voor je af; en waarlijk het bouwen van de nieuwe Kerk heeft ons niet armer gemaakt; als ik nu bij  toen vergelijk zou ik eer zeggen :  van beter”.

Pastoor Grijskamp was bouwpastoor maar ook een ware herder voor zijn parochie; hij werd zeer gewaardeerd en op handen gedragen. Maar een lang pastoraat in Akersloot was hem niet gegeven; als gevolg van een ernstige ziekte overleed hij op 29 mei 1872, 52 jaar oud.

HOOFDSTUK  2

Na het overlijden van pastoor Grijskamp werd op 8 juni 1872 tot pastoor benoemd Joannes Hencricus Muller, Amsterdammer van geboorte en priester gewijd op 4 april 1858. Voor zijn komst naar Akersloot was hij pastoor in Oudeschild.

Hij voltooide het werk van zijn voorganger: een kruisweg, preekstoel, communiebank en allerlei beelden verfraaiden het interieur van de nieuwe kerk. De biechtstoel en de sacristie werden met lambriseringen betimmerd; op de toren van de kerk werden drie beelden aangebracht: Petrus, Paulus en de Goede Herder; sinds 1996 staan ze op “de Overtuin”. De noord- en zuidmuur van de nieuwe kerk werden versterkt, er werden spouwmuren aangebracht en de toren werd geankerd.

Hij hield zich niet alleen met uiterlijke zaken bezig. Wegens misbruiken in de Vastenavondtijd stelde hij op de drie laatste dagen voor de Vastentijd een driedaagse gebedswake in; het kerkelijke “feest” is al lang verleden tijd, dat alleen ouderen zich nog weten te herinneren. 40 Uren lang werd er in de kerk gebeden om eerherstel te brengen voor al het kwade, dat op Vastenavond geschiedde.

Gaat pastoor Grijskamp de geschiedenis van onze parochie in als bouwpastoor van de nieuwe kerk, voor pastoor Muller is dat de stichting en oprichting van een katholieke school. Tot dan toe gingen katholieke en niet katholieke kinderen onverdeeld naar de openbare school, die in 1867 dan ook 130 leerlingen telde. De stichting van een eigen parochiële school al vanaf september 1876 regelmatig op de agenda van het kerkbestuur. Er werd een school- en schoolmeestersfonds opgericht, men sprak zelfs over een Zusterschool, het lage schoolbezoek van jongens werd kritisch gevolgd, men sprak over handwerken voor meisjes en men zocht naar een oplossing voor de opvang van kinderen, wanneer beide ouders op het land werkten. Om dit laatste probleem te ondervangen, zou “een gesticht van Zusters” in de parochie een welkom geschenk zijn.

Ondertussen groeide het schoolfonds en maakte winst door de gunstige stand van de ondergebrachte effecten, die later tijdig verzilverd werden wegens ongunstige tijdsomstandigheden. Het kerkbestuur en pastoor Muller keken dus vooruit en hielden kennelijk de vinger aan de pols. En ze hadden succes!

In het najaar van 1888 overleed Kerkmeester C. Baltus, die sinds oktober 1876 in zijn nieuw gebouwde boerderij aan de Lage weg ( nu Kerklaan) woonde. Op een publieke veiling kocht het Kerkbestuur boerderij en woning van de weduwe Baltus. Land en omliggende tuinderij werden verpacht om de kosten wat te dekken en aannemer Jan Terluin ging de boerderij verbouwen tot schoolgebouw. Totale kosten: F 12.163,--. Een doortastend bestuur, dat niet aarzelde op tijd de bakens te verzette en tot een verstrekkend besluit te komen.

Het vierkant, de hooiberg en de koestallen werden omgebouwd tot school en tot eerste hoofd van de opgerichte school werd op 23 september 1889 benoemd de heer J. Sernee te Haarlem, 31 jaar oud en hulponderwijzer aan de Normaalschool aldaar; hij zou dit blijven doen tot 1 februari 1928. Op 2 oktober 1889 werd de school ingezegend en de volgende dag begonnen de lessen.

De eerste tijd viel dat niet mee, schrijft meester Sernee in zijn Memoires: 84 leerlingen in één lokaal, eind december 1889 waren er 93.
Hij zette alles op alles om orde te brengen in dat aanvankelijk onrustig volkje en gaandeweg kwamen die rust en orde en kon er onderwijs gegeven worden.

Zeer ingrijpend was de oprichting van een katholieke school voor de openbare school; van 130 leerlingen in 1867 liep dit aantal terug tot 78 in 1889. Personeel moest ontslagen worden en de instandhouding werd voor het gemeentebestuur een blijvende zorg.

Wat valt er verder nog te melden aangaande pastoor Muller. Ik citeer uit de Memoires van meester Jan Sernee d.d. 5 oktober 1939: “Pastoor Muller leerde ik spoedig kennen als een leeuw op den spreekstoel, maar als een lam in den biechtstoel. Ook in het dagelijksch leven: soms kon deze herder te keer gaan en driftig worden, dan weer was hij zoo meegaand en goed, dat men zich afvroeg: is dat nu dezelfde man. De pastoor stond erop, dat ik hem op zijne wandelingen veel vergezelde. Hadden wij nu hier of daar eene visite gemaakt en ik vergat (stadsgewoonte) het poortje te sluiten, dan hief hij zijn stok op tegen me en ging aan, of ik een groote fout had begaan. Dikwijls keek ik behoedzaam om of iemand de schrabeering ook gehoord had”.

HOOFDSTUK  3

In de laatste aflevering van deze rubriek hebt u kunnen lezen over pastoor Muller, de opvolger van bouwpastoor Grijskamp. Pastoor Muller stichtte de katholieke school en verfraaide de nieuwe kerk. Hij werd ziek en kreeg van de bisschop eervol ontslag na een pastoraat in Akersloot van 21 jaar en vestigde zich in Alkmaar in een huis aan de Bierkade, met het Noord-Hollands kanaal vlak voor de deur. Dit alles speelde zich af in november 1893.

In de maand mei van datzelfde jaar echter raakte pastoor Muller nog verzeild in een heftig conflict met het zangkoor, het enige koor in de parochie en uitsluitend bestaande uit mannen. Op 11 mei van dat jaar staakten de koorleden hun gezang en bleef het orgel onaangeroerd. Deze werkstaking was tevoren beraamd in een vergadering; dus alles geschiedde – zoals de notulen van het kerkbestuur vermelden – “opzettelijk en met voorbedachten rade”. Pastoor Muller trad op en ontsloeg de koorleden en de organist op staande voet en benoemde zonder aarzelen de heer Jan Putter Dr. Tot dirigent. In de bestuursvergadering van 7 september d.o.v. kon worden geconstateerd, dat alles weer pais en vrede was op het koor, dat de “vroegere jaren van onmin” voorbij waren en dat op het koor “de beste vrede heerscht”. Over de oorzaken van het conflict op de zangzolder wordt slechts vermeld, dat er sprake was van een burger- en een boerenfractie; kennelijk moeten we aannemen, dat de maatschappelijke verschillen op de achtergrond een rol speelden. Op een enkele uitzondering na laat de nieuwe samenstelling van het koor dat ook zien: de boerenfractie had het pleit gewonnen!

De opvolger van pastoor Muller werd Johannes Arnoldus Foppe, geboren in Delft en priester gewijd op 15 augustus 1873; in november 1893 kwam hij naar Akersloot. Na enkele jaren kapelaan te zijn geweest, vertrok hij met enkele andere priesters als missionaris naar Noord Amerika om daar onder de Indianen te gaan werken. In zijn parochie woonden ook veel geëmigreerde Ieren. Hij was daar elf jaar werkzaam en repatrieerde wegens gezondheidsredenen.

Pastoor Muller had de bouwschuld van de nieuwe kerk flink naar beneden gebracht, maar liet het onderhoud achterwege. Pastoor Foppe kreeg deze rekening gepresenteerd: een vervallen kerkorgel en de desolate toestand van het kerkdak. De nieuwe school werd met twee lokalen uitgebreid, de woning van het schoolhoofd werd verbeterd en zijn salaris werd verhoogd. Twee nieuwe leerkrachten werden benoemd.

Pastoor Foppe was een rustige en bedaarde man, die voor zichzelf weinig eisen stelde; zijn beslissingen werden tevoren goed overwogen; zijn parochianen konden op hem rekenen en wat hij beloofd bracht hij, vroeg of laat, tot uitvoering.

Op 15 augustus 1898 vierde hij onder grote belangstelling zijn zilveren priesterfeest en kreeg bij die gelegenheid van zijn parochianen een bijzonder cadeau; een rijtuig! Dit was een heel passend cadeau, want de Akerslootse parochie was toen heel uitgebreid: deze liep ver de Boekelermeer in met daarbij nog de overzeese delen Starnmeer en de Schermer.
In augustus 1901 vertrok pastoor Foppe naar Boskoop en overleed daar als emerituspastoor op 22 januari 1919, bijna 70 jaar oud.

 HOOFDSTUK  4

Klampt u zich niet vast aan wat vroeger gebeurd is en geeft niet al uw aandacht aan wat eens is geschied….”. Aldus valt te lezen bij de profeet Jesaja (43, 18). Dat mag de profeet dan ooit geschreven hebben, wij gaan toch maar door met het beschrijven van onze pastoors, temeer nu we hiermee inmiddels in de 20e eeuw aangeland zijn.
Op 1 januari 1900  - het begin van de nieuwe eeuw -  was de zeereerwaarde Heer Foppe hier pastoor. In de vorige aflevering schreven we over hem. Akersloot telde op 31 december 1909: 1574 inwoners. Het was een echte agrarische gemeenschap en lag heel geïsoleerd. De Geesterweg en Rijksweg 9 waren er nog niet. Het verkeer naar ons dorp liep via Uitgeest en Dorregeest en verder over de befaamde Sluis en Bosweg; van de Alkmaarse kant over de weg langs het Noord-Hollands kanaal; ook de Kanaalweg naar Heiloo ontbrak nog, zelfs op papier.
In de periode 1900 tot 1912 groeide het aantal parochianen van 749 naar 795; het aantal dopelingen van 19 naar 29; het aantal huwelijken schommelde rond de 5, met uitschieters van 16 en 13 in de jaren 1910 en 1911.

In aansluiting op het bovenstaande nog een overzicht over de toename van het aantal parochianen:

Jaar            Aantal parochianen              Dopelingen             Huwelijken

 1925                          1016                                 42                               6

 1934                          1135                                 37                               3

 1945                          1361                                 37                               8

 1952                          1529                                 58                               9

 1960                          1886                                 68                               17

Na het vertrek van pastoor Foppe naar Boskoop werd hier op 22 augustus 1901 benoemd Caspar Franciscus Joannes van der Deijl, geboren in Amsterdam; hij bleef in Akersloot tot 31 januari 1908. Diens opvolger was Henricus Nicolaas Colla, Haarlemmer van geboorte. Deze vertrok naar Amsterdam op 3 oktober 1913.

In de memoires van meester Sernee, toen hoofd van de katholieke school, lezen we het volgende over beide pastoors. “Pastoor van der Deijl had een ander karakter dan zijn voorganger, fijn van vormen, keurig op kleding en altaarbenodigdheden, vrolijk en opgewerkt tot het uitbundige toe, vol grollen en grimassen, soms ook ingetogen, in zichzelven gekeerd en zeer besluiteloos; hij kon piekeren over geldzaken, later met gevolg dat zijn opvolger een aardig spaarpotje vond. Bekend als begaafd predikant, uitnemend zanger en kenner van gewijde en ongewijde muziek heeft het mij altijd verwonderd, dat hij geen of weinig notitie van ons zangkoor nam, want dat liet in die tijd heel wat te wensen.”.
Verder valt er weinig te vermelden over zijn pastoraat; hij had het in Akersloot  - was een boerenparochie -  niet naar zijn zin en had voor zichzelf hogere aspiraties. Ook zijn benoeming naar Castricum in januari 1908, om aldaar een nieuwe kerk te bouwen, was niet naar zijn zin, wat hij dan ook zijn bisschop onomwonden meedeelde. Hij overleed in het ziekenhuis te Alkmaar op 4 juni 1909.

Pastoor Colla  - aldus meester Sernee over zijn oud-leerling uit Haarlem -  was, “wat men noemt, een dure pastoor; hij liet de ramen in het priesterkoor uitbreken en door grotere gebrandschilderde vervangen (Nu nog in onze kerk), liet hekken aanbrengen rond kerkhof, overtuin en voortuin en vergrootte de pastorie met een serre met bovenkamer. Kenner van muziek en liefhebber van goede kerkzang, bracht hij het zangkoor op hoog peil en leerde ook het volk zingen en meezingen. Hij was veel en ging graag op reis en gunde dat andere ook.” In oktober 1913 vertrok hij naar Amsterdam (Maria Magdalenaparochie) en overleed aldaar op 31 oktober 1934.

Zijn opvolger werd M.J.G. van Baaren, geboren te Schoonhoven, “die zich blozend en sterk van gestel blijde aan het parochiewerk gaf”, maar te laat geboren was, moeilijk met de ontwikkelingen mee kon gaan en daarop tenslotte vastliep. Daarover meer in de volgende aflevering..

HOOFDSTUK  5

Na het vertrek van pastor Colla naar Amsterdam werd hier op 3 oktober 1913 tot pastor benoemd Henricus Josephus Gerardus van Baaren, geboren te Schoonhoven, zoon van een deurwaarder en priester gewijd op 15 augustus 1897. Zijn pastoraat zou duren tot 17 september 1926.

Qua uiterlijk had hij een blozend gezicht  -zoals op zijn foto ook duidelijk te zien is-  en was vrij fors van gestalte. Was dagelijks vroeg uit de veren en liep dan zijn gewone rondje langs kerk en pastorie. Hoe vroeg parochianen opgestaan waren, de waakzame herder kwamen ze altijd tegen. Volgens een tijdgenoot was het geen gemakkelijke man in het gebruik, had vaak kwestie, dan met Piet dan met Klaas. Hij was uitgesproken zuinig van aard en kon zich moeilijk inleven in de ontwikkelingen van de samenleving. De lonen en salarissen van anno 1916 wilde hij het liefst halveren of met 25% verminderd zien. Halsstarrig was hij op het terrein van de salariëring van het personeel van de katholieke school.
Het liep soms hoog op tussen de pastoor  -tevens voorzitter van het schoolbestuur-  en het hoofd van de school, die zich, bij kwesties, van zijn kant ook niet onbetuigd liet. Het liep helemaal mis, toen het personeel  -vanwege de tijdsomstandigheden-  recht kregen op een extra uitkering. Pastoor van Baaren weigerde tot betaling over te gaan. Tussenkomst van de Deken van Beverwijk was nodig om het personeel hun recht te geven. De enveloppe met inhoud kwam niet zo zachtzinnig in de handen van het hoofd der school terecht: het werd hen toegeworpen!

In het Gedenkboek van onze parochie zijn weinig aantekeningen van zijn hand over het wel en wee van de parochie te vinden. Anders was dit met de verslagen van de vergaderingen van het kerkbestuur; uitvoerig en duidelijk was zijn verslaglegging en wist daarbij soms gevoelige snaren te raken. Dat was ook zijn aard. En daarom wellicht was hij heel milddadig voor de armen in de parochie.

Een bijzondere prestatie leverde hij t.g.v. het 50-jarig bestaan van onze vorige parochiekerk op 21 september 1918. Van zijn hand verscheen een boekwerkje van circa 40 pagina’s over de bouw van die kerk als een eresaluut aan onze voorouders, die dat allemaal  gepresteerd hadden, soms met kleine bedragen. Voor het eerst in de geschiedenis van onze parochie was hij het, die de aloude geschiedenis van de Akerslootse kerk en parochie vastlegde; een periode van circa 1200 tot 1918. Dit is toch wel een groots werk geweest. Het duurde tot mei 1976 alvorens pastoor van den Berg zijn levenswerk “Akersloot door de eeuwen heen” van de pers liet komen.

Zich aanpassen aan de veranderde omstandigheden in de samenleving ging pastoor van Baaren niet zo gemakkelijk af. Onrust in tweespalt binnen de Jacobsparochie was dan ook het gevolg toen een aantal voormannen in de parochie hier een afdeling van de R.K. Volksbond wilden oprichten (voorloper van de Katholieke Beweging etc.). Pastoor weigerde en gaf geen duimbreed toe, hoewel in den lande algemeen stand- en vakorganisaties van de grond kwamen en door de Nederlandse bisschoppen van alle kanten werd aanbevolen en bevorderd. Je zou toch verwachten dat een parochieherder dit streven van zeer actieve mannen zou gaan ondersteunen. Niets daarvan, men moest zich maar bij Uitgeest aansluiten, het gaf te veel rompslomp in de parochie en bij vergaderingen in café’s en zou dit aanleiding kunnen geven tot een verhoogd gebruik van sterke drank!!

Brieven van het Hoofdbestuur van de Volksbond, de bisschoppelijk gedelegeerde en Hoofdbestuursleden persoonlijk, niets hielp om pastor van Baaren tot nieuwe en andere inzichten te brengen. “Het bestuur is radeloos en machteloos en het bestuur moedeloos” schreef in die dagen de secretaris van de afdeling Akersloot, inmiddels toch op 5 maart 1919 opgericht. Tenslotte was het de bisschop van Haarlem zelf, die in een persoonlijke brief pastoor van Baaren aanmaande om zijn verzet te staken. Van harte ging het overigens niet bij pastoor van Baaren, gezien het feit dat pastoor van der Loos van Uitgeest op verzoek van bond- en verenigingsbestuur tijdelijk het geestelijk-adviseursschap waarnam.

Het einde van het pastoraat van pastoor van Baaren in Akersloot komt echter in het zicht. Hierna volgt een gedeelte van de notulen van het kerkbestuur van 6 september 1926  “……….Onderwijl neemt de Voorzichter in ontvangst zijnde benoemingsbrief over de post tot pastoor te Kethel. Dit onverwachte nieuws verwekt bij den Voorzitter en de leden van her Kerkbestuur ontroering en de Voorzitter sluit aangedaan de vergadering”.

Pastoor van Baaren vertrekt naar de Jacobusparochie in Kethel, diep in Zuid-Holland, tot zijn groot verdriet. Een aantal jaren daarna wordt hij benoemd tot pastoor in Oudorp; weer terug in een wat vertrouwdere omgeving en dicht bij Akersloot. Hij overlijdt in Oudorp op 5 augustus 1938, 68 jaar oud en wordt begraven in het priestergraf op het kerkhof van Oudorp.

 HOOFDSTUK  6

Pastoor van Baaren werd na zijn vertrek naar Kethel opgevolgd door pastoor Ignatius Maria Petrus Alphonsius Wils, geboren in Dordrecht op 29 september 1883 en op 15 augustus 1907 priester gewijd. Hij stamde uit een Zoeavenfamilie, ‘een zoon van ridderlijke stand’ schreef meester Sernee in zijn memoires.
Pastoor Wils schreef veel en vermeldt dan ook uitvoerig over de gebeurtenissen in de parochie van Sint Jacob. Er gebeurde dan ook veel tijdens zijn pastoraat in Akersloot. Er kwam van alles van de grond. Teveel om alles in één artikel  samen te vatten. Daarover dus een volgende keer. Nu vermelden we zijn relaas over zijn intocht in Akersloot, over zijn mening aangaande zijn nieuwe parochie en over zijn verwachtingen. Een uitvoerig verslag dus, geschreven op 3 oktober 1926.

In den avond van 17 september 1926 ben ik met mijn mede-kapelaan in Amsterdam per spoor van Amsterdam naar Uitgeest gegaan en werd aldaar met drie auto’s aan het station afgehaald door den Burgemester van Akersloot (die katholiek is, den heer van den Heuvel), den hoofd-onderwijzer, den heer Sernee en het kerk- en armenbestuur. Bij de grens van Akersloot stond het R.K.Fanfariekorps gereed met zijn banier en zo trokken we met volle muziek, terwijl de vlaggen uithingen en onze torenklok lustig luidde het dorp binnen, waar het volk langs de weg ons begroette.
In den tuin vóór de pastorie werd halt gehouden. De fanfarie gaf enige nummertjes ten gehore, de Burgemeester sprak een welkomswoord, waarna ik met ene enkele woord van dank sprak voor de waarlijk hartelijke ontvangst. Zondag 19 september werd ik door mijn oud-collega, deken Lucassen van Beverwijk, geïnstalleerd. Na de Hoogmis verenigden wij ons met degenen, die mij afgehaald hadden aan een feestelijk ontbijt.
Men moet al een kwaadaardig pessimist zijn om niet met de beste verwachtingen een pastoraat in Akersloot te beginnen. De bevolking is over het algemeen zeer goed, de katholieken bezitten thans -dank zij hun groote gezinnen- de meerderheid, de Burgemeester is katholiek en de Raad is nu in meerderheid katholiek. Er bestaan enige misbruiken, er is gevaar voor den nieuwe geest van onzen tijd, die uit de steden naar het platteland gaat. Ik hoop met Gods  hulp zo lang hier te zijn tot ik Akersloot genoegzaam katholiek heb georganiseerd. De vooruitzichten zijn gunstig.”

 En zo begon pastoor Wils aan zijn werk in onze parochie. Qua uiterlijk wat kleiner en smaller dan zijn robuuste voorganger van Baaren, een man die –in tegenstelling met zijn voorganger- ruimte gaf aan nieuwe ontwikkelingen. 

 HOOFDSTUK  7

In de vorige aflevering van “Akersloot Onderweg” stond het intochtverhaal van pastoor I.M.P.A. Wils ( 1926 – 1932), eigenhandig in het Parochieel Gedenkboek genoteerd op 3 oktober 1926. Wie dat verhaal verder leest, komt tot de conclusie dat pastoor Wils zeer gelukkig en ingenomen was met zijn nieuwe parochie. Hij zag het wel zitten en had intussen een aantrekkelijk arbeidsveld ontdekt. De burgemeester was katholiek, de katholieken hadden de meerderheid en dank zij de grote gezinnen was ook de gemeenteraad in meerderheid katholiek.
De laatste conclusie van de nieuwe herder was echter niet juist. Dat de gemeenteraad in meerderheid katholiek was kwam door de invoering van het algemeen vrouwenkiesrecht, dat in het begin van de jaren “20 tot uitvoering kwam. “Toen ging de raad om”, hoorde ik ze bij ons thuis vaak zeggen.

Nog enkele cijfers over de situatie toen; volgens de volkstelling van 1930 telde de gemeente Akersloot 2004 inwoners, waarvan er 1258 katholiek waren ( 62,71 %); op 1 juni 1947 ( 12e volkstelling) waren de cijfers 2301 respectievelijk 1633 (70,96).

Pastoor Wils ging aan de slag en van wat er tijdens zijn pastoraat gebeurde volgt een kleine samenvatting.
In het begin van het jaar 1927 wordt geconstateerd dat de inkomsten van de parochie niet vooruit gaan, terwijl de uitgaven een stijgende lijn vertonen. Hoewel er dus bezuinigd moet worden, wordt niettemin besloten om de schuldenlast, die nog steeds op de financiën drukken, te verlagen. Vanwege de benarde tijdsomstandigheden wordt er ook besloten om het plaatsengeld niet te verhogen. Hier komt het bestuur later weer op terug. Al eerder was in dit kader besloten om het eiland in het Alkmaardermeer ( “t Groote Eiland), tot dan toe eigendom van de parochie, te verkopen; vraagprijs F. 3000 á F. 3.500.  Ook de rijkoets met tuigage, in 1898 ten dienste van de pastoor aangeschaft voor bezoek aan vergelegen delen van de parochie, wordt verkocht. Ook het schilderij van pastoor Stenius van de hand van Frans Mals wilde men in de verkoop doen; het bisdom gaf hiervoor echter geen toestemming.

Op 29 september werd er in de Schermer een nieuwe parochie gesticht en een nieuwe kerk met school gebouwd. De Akerslootse parochie verloor daardoor een groot deel van haar grondgebied en de parochiegrenzen, sinds 1858 van kracht, werden opnieuw vastgesteld. Sinds eeuwen waren de katholieken in de Schermer in Akersloot naar kerk en school gegaan.

In augustus 1928 kreeg de kerk een heteluchtverwarming, waarmee tevens de sacristie en een klein gedeelte van de pastorie verwarmd kon worden. Dat was geen overbodige luxe! De kosten hiervan bedroegen F. 3.500, --; het kostte het kerkbestuur enige moeite om daarvan een verhoging van het plaatsengeld door te voeren.

De toename van het aantal leerlingen op de Jacobsschool leidde tot ingrijpende maatregelen, waartoe in januari 1930 besloten werd. Het oude gedeelte van de school (1889) werd gesloopt en nieuwe lokalen kwamen er voor in de plaats. Er kwam een gymnastieklokaal, een overdekte speelplaats en een nieuwe onderwijzerswoning. De heer J. Sernee, hoofd van de school sinds 1889 ging op 1 februari 1928 met pensioen; een jaar eerder vierde hij zijn gouden onderwijzersjublileum en werd daarbij door Paus en Koningin onderscheiden. In zijn plaats werd benoemd de Heer N. van der Holst, tot dan toe onderwijzer in Waarland.

Voor zijn komst naar Akersloot was pastoor Wils elf jaar kapelaan geweest in een stadsparochie in Amsterdam ( Sint Willibrodus buiten de Veste). Uit ervaring kende hij de problemen van mensen die van het plattegrond naar de stad trokken.
Om die reden stichtte hij een informatiebureau voor jongens, meisjes en gezinnen, die naar de stad trokken. Informatie werd gegeven over schoolkeuze, verenigingsleven, kranten, lectuur e.d.
Ook tijdens het pastoraat van pastoor Wils werd er veel onderhoudswerk verricht aan kerk en pastorie en opnieuw werd gedacht en gesproken over de bouw van een nieuwe kerk. Om die plannen te onderbouwen werd een bloembollenfonds opgericht; de opbrengst van veilingen kwam dit fonds ten goede.
Op 17 oktober 1932 werd pastoor Wils benoemd tot pastoor van de Agnesparochie in Den Haag.

HOOFDSTUK  8

Zijn opvolger werd pastoor "Franciscus Petrus Johannes Huf" Geboren in Amsterdam en uit de bekende familie van die naam. Hij kwam hier op 17 oktober 1932 en vertrok weer op 31 december 1934. Een heel kort pastoraat dus en voor Akersloot heel ongewoon. Hij voelde zich niet zo thuis: vond de parochie voor hem een maatje te klein en had dan ook na zijn pastoraat in  Hoofddorp een grotere parochie verwacht. Hij had deze benoeming niet verwacht, de bisschop beschikte anders! Hij ging uit van de veronderstelling spoedig weer elders benoemd te worden, zodat hij zijn huisraad en inboedel dan ook maar gedeeltelijk uitpakte.
In het parochiële gedenkboek heeft hij geen letter neergeschreven over de gebeurtenissen tijdens zijn pastoraat. Zijn aantekeningen in het Notulenboek van het Kerkbestuur zijn kort en bondig en vooral zakelijk.  Hij had op de preekstoel de gave van het woord, waarbij hij de aandacht van de toehoorders steeds wist te boeien, soms met ongewone middelen. Iets geniaals was hem niet vreemd.
Er valt dus weinig mee te delen over de jaren 1932-1934. In de vergaderingen van het kerkbestuur gaat het hoofdzakelijk over pachtsommen, het Schapenfonds en het Bollenfonds. Ook de toestand van het kerkgebouw komt opnieuw ter sprake en besloten wordt om een architect in te schakelen, die het bestuur moet adviseren over het o0pknappen dan wel vernieuwen van de kerk.
Wat ook niet onvermeld mag blijven is het feit, dat de pastorie voorzien werd van toiletten (w.c.’s dus) en dat in de gang beneden een fonteintje werd aangebracht.
En bleef dus werk aan de winkel in de kerk en de pastorie. Eind 1934 werd pastoor Huf benoemd te Voorburg, waar hij in 1944 aan een ernstige ziekte overleed.
De parochie van Sint Jacobus zag weer uit naar een nieuwe herder. En dat werd L.H.M. Nieuwenhuizen.
Leo Henricus Maria, Nieuwenhuizen, geboren te Amsterdam en op 15 augustus 1915 priester gewijd. Om hem te introduceren volgt hier een krantenknipsel van 11 juni 1939 i.v.m. zijn vertrek uit Akersloot:

"Zijn eerste standplaats als kapelaan was Nootdorp en in 1916 werd hij benoemd in Oudorp. In 1918 werd hij leraar op het seminarie Hageveld te Heemstede, waar hij onderricht gaf in het Latijn. Als amateur-schilder maakte hij zich verdienstelijk met het maken dan toneeldecors voor de toneeluitvoeringen van de studenten. In 1934 werd Nieuwenhuizen benoemd tot pastoor van het mooie dorp Akersloot, gelegen aan het schone Alkmaardermeer Hij kon het onmiddellijk goed vinden met zijn parochianen en al spoedig ontstond er wederzijds een hartelijke sympathie, die zich uitte in in­nige samenwerking op velerlei gebied.
Tot de voornaamste werkzaamheden van de pastoor behoort o.a. het geheel vernieuwen van de vervallen kerk, die eigenlijk reeds bestemd was om afgebroken te worden en vervangen door een nieuw, hetgeen echter nogal financiële bezwaren opleverde.  Met het beschikbare geld werd de oude kerk in- en uitwendig weer een keurig en devoot aanzien gegeven tot grote tevredenheid van de Akersloters.
Verder richtte de pastoor een zangclub op voor dames en meisjes en een gymnastiekclub.­ Zijn bijzondere zorg had de congregatie van de Heilige Familie, die hij splitste in verschillende afdelingen en aanvulde met een nieuwe afdeling voor gehuwde vrouwen, die zich onmiddellijk in een grote bloei mocht verheugen.
Ook het retraitewerk had de bijzondere belangstelling van pastoor Nieuwenhuizen, met als gevolg dat in Akersloot het retraitewerk een bijzondere vlucht nam. De Eli­sabeth vereniging genoot, evenals andere sociale organisaties, zijn bijzondere liefde. Deze liefde ging over op de parochianen, die zich ook bijzonder beijverde om deze vereniging in haar werkzaamheid te steunen.
In zijn vierjarig pastoraat heeft de pastoor in Akersloot alle harten weten te ver­werven, vooral door zijn bijzondere opvatting van het Heilig Priesterschap, zijn grote goedheid en belangstelling voor de zieken. Het godsdienstige leven nam de laatste jaren zeer toe, hetgeen mag blijken uit de veelvuldige Heilige Communie in deze parochie. Het aantal communies steeg het laatste jaar tot rond 160.000, hetgeen voor een klei­ne plaats als Akersloot wel bijzonder veel is. Met leedwezen zullen de parochianen van Akersloot daarom ook afscheid nemen van hun herder.
Ook de burgerlijke autoriteiten zullen pastoor Nieuwenhuizen zeer ongaarne zien gaan. Ook pastoor Nieuwenhuizen scheidt ongaarne van Akersloot, dat zijn liefde heeft gekregen. Maar het nieuwe werk in Wognum, waar hem de moeilijke taak van deken wacht, heeft natuurlijk zijn bijzondere belangstelling. En hij hoopt, dat hij in zijn nieuwe standplaats een even prettige werkkring zal mogen vinden als in Akersloot.”

HOOFDSTUK  9
Na 70 jaar gebruik was onze parochiekerk – gebouwd anno 1868 – wat in verval geraakt. Dat gold ook voor de pastorie en de toren van de kerk, die – zoals U waarschijnlijk al weet – bij de bouw hoger opgetrokken moest worden dan die van de protestantse kerk. Dat verval kwam niet ineens uit de lucht vallen; al wat jaren eerder werd er over gesproken en geschreven over een nieuwe kerk en werd er een bescheiden bouwfonds gevormd, beter bekend als het “droge schapenfonds”en het “bollenfonds”. 
Die toestand trof pastoor Nieuwenhuizen aan bij zijn komst naar onze parochie bij de overgang van oud naar nieuw 1934 – 1935. Architect N. Molenaar uit Den Haag kreeg de opdracht om een rapport op te stellen over de bouwkundige toestand van de kerk, pastorie en toren. Hem werd ook gevraagd oplossingen te geven. Hij voldeed aan die vraag in zijn rapport van 15 maart 1935 en gaf tevens een schatting van de kosten ( f 25.000,-- ). Die kosten waren hoog, maar er viel ook wel het een en ander te verbeteren. Het leien dak van de kerk was totaal vergaan; men overwoog voor de nieuwe dakbedekking pannen te gebruiken. Vanwege de lichte constructie van het dak van de kerk was dit niet mogelijk; vooral boven de zijbeuken was die constructie nog slechter. Er waren meer onmogelijkheden dan mogelijkheden. 
Ook het kerkbestuur besprak de nijpende situatie en liet zich daarbij vooral leiden door de overweging of de gebrekkige bouwkundige toestand gevaar zou opleveren. Dat was naar de mening van het bestuur ( nog) niet het geval. Er werd gekozen voor een minder ingrijpende oplossing en voor minder kosten. Kerk, pastorie en toren kregen een opknapbeurt en vooral het interieur van de kerk werd onder handen genomen. Dit alles tot grote tevredenheid van de parochianen. Voor de bouw van een nieuwe kerk waren de financiële middelen niet aanwezig en pastoor Nieuwenhuizen werd geen bouwpastoor.
Pastoor Nieuwenhuizen was geliefd bij zijn parochianen, vooral vanwege zijn aandacht voor de minder bedeelden. Zijn bijzondere aandacht had daarom de Sint Elisabethvereniging, die in de periode 1931 – 1944 in onze parochie zeer actief was. Hierover het volgende.
Deze vereniging – opgericht door pastoor Wils in 1931, naar het voorbeeld in andere parochies in het bisdom – had tot doel grote gezinnen en andere parochianen, die de gevolgen van de crisissen de werkloosheid ondervonden, te helpen: financieel, hulp in de huishouding, kledingverstrekking. In de periode 1940 – 1944 vond er circa 150 keer verdeling van schoeisel en kleding plaats, meerdere keren aan 20 gezinnen tegelijk. De vereniging werkte met een budget van circa F 3.600,--, bijeengebracht door collecten, giften uit de parochiekas, verlotingen e.d. In het laatste oorlogsjaar is de vereniging een stille dood gestorven.
Op 12 juni 1939 werd pastoor Nieuwenhuizen benoemd tot Deken van Wervershoof en pastoor te Wognum. Na enkele jaren werd hij in dezelfde functie benoemd te Alpen aan den Rijn. Daar is hij overleden.

HOOFDSTUK 10

Na het vertrek van pastoor Nieuwenhuizen was de Akerslootse parochie in afwachting van de benoeming van een nieuwe pastoor: het werd Antonius Aloysius van den Berg, die op 12 juni 1939 werd benoemd en hier 25 jaar zou blijven. Pastoor van den Berg werd op 8 juni 1891 te Zoutermeer – Segwaard geboren en op 15 augustus 1916 tot priester gewijd.
Achtereenvolgens was hij kapelaan te Heerhugowaard, Lisse, Alkmaar en Den Haag en van 1936 tot 1939 pastoor te Rhoon (zh). Op een rustige avond van de hoogzomerse dag van 23 juni 1939 werd hij in optocht zijn nieuwe parochie binnengeleid. De R.K. Harmonie blies er die avond lustig op los, wat zelfs de koeien in het weiland tot ongekende vreugde sprongen aanzette. Een tafereel, dat de boerenzoon uit Zoetermeer met welgevallen zal hebben aanschouwd.
Wie is pastoor van den Berg? Hiervoor laten we pastoor Hageman aan het woord, die bij de begrafenis van deze Herder het volgende zei:
Pastoor Antoon van den Berg – 90 jaar – is de jongste uit een groot boerengezin, waaruit een kloosterzuster en drie priesters stammen. Twaalf jaar was Antoon van de Berg, toen hij zijn eerste Communie mocht doen. Hij vermeldt de datum op[ zijn bidprentje, omdat het een hoogtijdag was. Zijn broer Abram was al kapelaan en de trots van het gezin; zijn broer Willem was al jaren op het seminarie en Antoon zou daar ook heen gaan. Voor een roomse jongen stonden de dingen vast! Daar was een heilige rangorde in heel het leven. Alle mensen waren aangesteld. Alle gezag komt van God. En omdat macht en gezag behoorden samen te gaan en omdat bezit en status macht gaven was er in de burgerlijke en in de kerkelijke maatschappij een vaste hiërarchie. Die liep van Paus en bisschoppen, pastoors en kapelaans tot de naamplaatjes op de kerkbanken, waar je van voor tot achter naar de “minder aangestelde” afdaalde. Eenmaal geplaatst in deze rangorde, most je beantwoorden aan de plaats, die je was toegewezen en anderen hun plaats wijzen. Als het al moeite kostte om die plaats naar behoren te vervullen: offers hoorden erbij! Ik vermoed dat het gezin van den Berg daar in Zoetermeer niet altijd zo rooskleurig heeft kunnen leven, al zal de jongste niet de moeilijkste tijden hebben meegemaakt. Maar daarover werd geen probleem gemaakt: zuinigheid was overal een deugd tot die ontaardde in vasthouden om het morgen nog te hebben.
Maar het was niet dat soort zuinigheid, die Antoon in het leven meekreeg. Het was veeleer de eerbied voor de dingen, de waardevolle dingen, de menselijke uitdrukkingen in de materie vooral, waarom het pastoor van den Berg pijn deed als er maar iets kapot ging. De mensen zijn er toch om de waardevolle dingen, geestelijke en materiële te dien.
De God-Vader, die dit alles in zijn hand houdt, was dichtbij. Als je ophield met bidden, raakte je van huis! Zoals vele priesters van zijn generatie heeft pastoor van den Berg de vroomheid van zijn huis tot het einde toe beleefd. En de vorm, waarin deze vroomheid werd geuit, was al even gebruiksklaar overgeleverd in liturgie, brevier, huisgodsdienst en devoties, waarvan ook nu nog niet te begrijpen is, dat er kwaad van wordt gedacht!
Dit “in memoriam”van pastoor Hageman wordt vervolgd alsmede andere gegevens.

Hoofdstuk 11

De beschrijving van het pastoraat van Pastoor van den Berg vervolgen we met het slot van het “In Memoriam”, uitgesproken door Pastoor Hageman.
“Tot dat geestelijke thuis zijn, behoorden Maria, de heiligen, de heilige kerk, de vast omschreden waarheden en de heerlijke overlevering van mooie en ware geloofsuitingen in Kerkelijk gezang, gebed en kunst. Zijn zin voor geschiedenis doet hem dingen bewaren als replieken van degenen, die ooit grote menselijke waarden ons doorgaven. Zijn eerbied voor de dingen bezielde hem ook tot grote nauwkeurigheid bij zijn historische navorsingen, waarbij hij nooit de gemakkelijke weg van de geromantiseerde geschiedenis koos, waar dienend op tafel bracht, wat de eerlijke oogst had opgeleverd. Zo waren zijn schilderijen in dienstbaarheid de werkelijkheid weergevend en hierbij moeten we twee dingen worden opgemerkt:
Hij werkte aan een schilderij, maar zijn dagorde werd er niet door gestoord.
Hij hield zich in de hand, terwijl hij toch van jongsaf gek was op uitbeelden en bovendien; al zijn schilderijen zijn van een vriendelijke toon, zonnig groen en van een vriendelijkheid, die hij misschien in woorden moeilijker kwijt kon.
En dan sprong uit deze regelmaat en voorspelbare levensloop ineens het Fidelispqatronaat uit de ban in Alkmaar en Lisse. Zo kende ik hem in Lisse: de kapelaan waarvan ik mijn eerste catechisme lessen ontving en die Fidelispatronaat oprichtte. Met bewondering heb ik zijn foto’s bekeken, waar hij opstond met jonge pas geïnstalleerde kolonialen, in pakduurder en schoner dan dat van hun eerste communie, maar dan toch blij met hun kapelaan op de foto te gaan.
Hiërarchie of niet, voor deze jongens wist hij een huis te veroveren, als het moest in verzet tegen zijn pastoor en hij wist mensen te bezielen, die in ongeschoolde wijsheid, er een huis van wisten te maken.
Mensen zijn openbaringen van God. Wij danken God voor zijn trouwe en vrome priester Antonius van den Berg; moge hij thuis zijn bij zijn heer, in wiens huis hij zo thuis was en waarheen hij ons allen wilde meetronen.´

Hoofdstuk 12

In april 1991 bestond: “Oud Akersloot” 10 jaar; dit werd herdacht met een grootse tentoonstelling in “ De Lelie”, die door meer dan 1000 mensen bezocht werd. Een unieke gebeurtenis. Onder andere 10 schilderstukken van pastoor van den Berg maakten deel uit van deze expositie. Pastoor Hageman schreef de volgende inleiding op deze schilderstukken.

“Dit jaar, op 8 juni 1991, zou Antoon van den Berg honderd jaar geworden zijn. Negentig is hij geworden en van dat lange leven was hij vijfentwintig jaar pastoor in Akersloot en na een jaar of wat rusten in Heemstede nog dertien jaar Akersloter. Een wat schrale man, meest in toog. Voor mij altijd een oude man, want toen ik zeven jaar was, heb ik van hem in Lisse de eerste lessen in de geloofsleer gehad. Hij was toen tweeëndertig en naar ik toen hoorde fluisteren, schilderde hij ook toen al.
Hij heeft heel zijn leven getekend en geschilderd. Het is een lekkere ziekte, die op niet-krabbelaars allicht de indruk maakt van alleen-met-je-eigen-bezig-zijn. Niet helemaal terecht!
Het plezier van tekenen en schilderen, iets zien- iets uitdenken en het dan vastleggen, niet in een verhaal van woorden die waaien in de wind, maar in lijnen en kleuren die blijven. Het plezier om het uit je zoekende en vaster wordende handen te zien vloeien.

Antoon van den Berg was van jongs af een tekenaar. En de eerst bewaarde getinte tekeningen van het tehuis van zijn jeugd behoren tot zijn beste werk. Ook in zijn studietijd heeft hij getekend. Een amateur is hij gebleven, een liefhebber: Een schilder met teken en schilderdrift, met belangstelling voor godsdienstige, historische, actuele, moralistische en zelfs karikaturale onderwerpen.
Er is in zijn lange schildersleven niet zoveel ontwikkeling van stijl of techniek te constateren. Toen ik hem eens vroeg “Waarom hebt u zich nooit tot anderen gewend om te groeien in ideeën en vaardigheid?” antwoordde hij “Ik was bang daardoor mijn eigenheid te verliezen”.

Zijn hele leven was dienstbaar zijn aan zijn ambt en roeping. Je mocht wel genieten van wat je op weg tegen kwam, maar je moest geen zijweg ingaan. Dat genieten van wat hij in de berm van zijn levensweg vond, spreekt duidelijk uit zijn werk. De lichtgroene lentekleur voert de boventoon op zijn schilderijen en spreekt van een vriendelijkheid, die hij waarschijnlijk ook meer in woorden had willen uiten.

Behalve pastoor Hageman, laat ik in deze aflevering ook nog een parochiaan uit Rhoon (de eerste pastoorsplaats van pastoor van den Berg) aan het woord. Hij schreef als volgt:
“Pastoor van den Berg was een godvruchtig man van rotsvast geloof, hij was onwrikbaar en er viel met hem niet te marchanderen. Men zou niet vermoeden dat hij goede betrekkingen onderhield met de toenmalige predikanten. Maar toch was dat zo”.

Pastoor van den Berg was een werkwaardig man. Niet zo gemakkelijk toegankelijk en daardoor niet altijd goed begrepen. Was echter het ijs eenmaal gebroken dan kwam er een andere van den Berg te voorschijn, een die humor bijzonder wist te waarderen en zelf graag humor weggaf. Ik heb op dit gebied nog kostelijke brieven van hem bewaard. Hij maakte ook graag humoristische schilderijen.
Het onlangs nog afgebroken parochiehuis werd onder zijn pastoraat gesticht en onder zijn toezicht werd de parochiekerk verfraaid en kreeg het kerkhof een opknapbeurt.
De parochiegeschiedenis heeft hij in een herinneringsboek vastgelegd.

Hoofdstuk 13
Pastoor van den Berg werd in Akersloot benoemd op 12 juni 1939 en was toen veertig jaar oud. Hij vertrok uit Akersloot op 1 oktober 1964 en was toen 73 jaar. Ruim 25 jaar bleef hij hier en was toen inmiddels helemaal Akersloter. Hij vertrok met zijn schilderskwast en andere attributen naar Heemstede, om na enkele jaren terug te komen naar Akersloot.

Zijn pastoraat hier begon met een vliegende start: de aankoop door de parochie van de oude, leegstaande kaasfabriek (op het huidige Julianaplein) Het doel van deze aankoop was de huisvesting van alle jeugdverenigingen, een naaischool, een kleuterschool, die overigens helemaal nog niet bestonden dus van de grond af opgebouwd moesten worden.

Op 1 mei 1940 werd het jeugdhuis officieel in gebruik genomen met veel toespraken, lovende woorden e.d. De lovende woorden waren heel terecht, want in betrekkelijk korte tijd was er heel wat van de grond gekomen. Vóór die tijd was er al gesproken over de noodzaak van al deze voorzieningen, maar tot daden was het niet gekomen.

Pastoor van den Berg zorgde voor een bezielende leider van het jeugdwerk in de persoon van pater Marinus Koolen van de missionarissen van het Heilig Hart in Velzen-Driehuis (leraar Grieks op het seminarie aldaar). Zijn naam mag hier met ere vermeld worden! De jeugdverenigingen waren rijk geschakeerd: Kruisvaart, Verkennerij, Gidsen, Welpen, K.J.C. en niet te vergeten: de Kajotters. Een en al activiteit in deze periode in onze parochie en eerder ongekend en onvoorstelbaar.

In augustus 1957 was er een nationale bedevaart van de Kajotters naar Rome. Een Akerslootse delegatie ontbrak niet. Hier volgende namen van de deelnemers: de dames Corrie Baltus, Annie Kerssens en Trien Graas en de heren Siem Broersen, Tinus Kerssens, Wim Hoogland, Lau Kaandorp. Er was dringend behoefte aan een kleuterschool en naaischool, die onder leiding van o.a. de zuster Ursulinen van Bergen- een grote toeloop kregen. Hierover meer informatie in een latere aflevering.

De parochie groeide en telde in het begin van de jaren ’40 ruim 1300 parochianen. Na aandringen van pastoor van den Berg bij de deken en de bisschop werd het tijd voor een kapelaan: G.J.M.Suijker was de eerste (10 december 1942); B.J.Tetteroo volgde hem op (september 1944). Toen waren er geen priesters van het bisdom meer beschikbaar. Daarna volgde er een reeks van tijdelijke assistenten van allerlei ordes en congregaties. Ze leefden onder ons en werkten voor ons. Daarom volgen hier hun namen: J. van der Steen (2x), Boonekamp, Witteman, Westerkamp, Wijte, pater Alardus, capucijn, pater Maurus, capucijn, E. Hendrikx, Jac. Muiser, pater Alting (Mill-Hill) en J. de Boer.

Vier pas-gewijde priesters van Akerslootse bodem deden hier hun Eerste Heilige Mis, nadat zij de avond tevoren in een feestelijke optocht met fanfare, jeugdverenigingen, versierde paarden en fietsen, waren verwelkomd.

Niet minder ging het eraan toe bij de ontvangst van de door de parochie geadopteerde zwarte Afrikaanse priester Aloysius Lugira op zaterdagavond 29 augustus 1959. Het was bijzonder druk in Akersloot op die gedenkwaardige avond en de dag daarna. Ontvangen op het station van Uitgeest door notabelen en het feestcomité ging het richting Akersloot, waar burgemeester de Sonnaville hem toesprak in het Frans. Het taalverschil leek geen barriére, zij hhet dat de aanwezigheid van pater Jan Leijen (op vakantie in Nederland) zo nu en dan toch welkom was. Katholiek en niet-katholiek stond langs de straten en gaven een krachtig applaus, onderbroken door de klanken van de fanfare.

Tijdens de receptie op zondag 30 augustus werd hem het parochie-cadeau overhandigd: een zilververgulde hand-gesmede kelk van de edelsmid J.Vonk uit Amsterdam. Aloysius Lugira is een Oegandees en behoort tot de stam van de bantoes. Hij is geboren in Villa Maria, een belangrijke plaats in het diocess Masaka. Hij volgde het kleinseminarie te Bukalasa en het groot-seminarie  te Katigonga. Zijn theologische studies beëindigde hij in Freibourg (Duitsland) , waar hij ook is gewijd. Bij zijn komst naar Akersloot werd hij vergezeld door zijn vriend en studiegenoot Eduard Kigwana.

Hoofdstuk 14
In de vorige aflevering schreven we over de totstandkoming van de naaischool en de kleuterschool in 1939. In ditzelfde jaar bestond de St.Jacobusschool 50 jaar, een gouden jubileum in het katholiek onderwijs in onze parochie. We kunnen vaststellen, dat de stichting van de naaischool en vooral van de kleuterschool –in vergelijking met andere parochies- aan de late kant was. Er werd wel over gesproken, maar initiatieven ontbraken kennelijk.

In 1939 was het zover en met een vliegende start. De zusters Ursulinen van Bergen kwamen naar Akersloot en wel vanaf het klooster van Uitgeest. Deze vreugde was echter van korte duur; op 31 juli 1949 moesten de zusters hun werk opgeven door gebrek aan zusters. Andere parochies deelden hetzelfde lot. Een tegenvaller voor Pastoor van der Berg, die in zijn dromen al een klooster in de ‘Overtuin’ zag staan. Ook de pogingen van zuster Willibalda Sernee –afkomstig van Akersloot en destijds overste van het klooster in Uitgeest- om het tij te keren, lukten niet. Hun plaatsen werken ingenomen door burgerpersoneel en onze parochie kon verder gaan. De toekomst van de nieuwe loot aan het parochieel onderwijs was gewaarborgd.

Dat initiatieven voor katholiek onderwijs soms ontbraken, wil niet zeggen dat er niet vooruit gekeken werd. In 1924 kocht het Kerkbestuur van toen een weiland – in de volksmond als ‘de groote Weid’- dat gelegen was tussen de Julianaweg en de Buurtweg, tegenover de Jacobuskerk. Een gebied van flinke afmetingen en thans amper herkenbaar. Dit gebied is nu volledig bebouwd met o.a. het Heer Derekplantsoen, Geesterweg en daarachter liggende gebieden. De aankoop had tot doel bouwgrond te reserveren voor de naaischool, een kleuterschool, een meisjesschool en eventueel een parochiehuis.

De initiatiefnemer was pastoor van Baaren, ondersteund door de leden van het kerkbestuur. Verdere uitvoering van het plan bleef uit. Gemeentelijke bestemmingsplannen voor dit grote gebied waren er niet en ook de provincie had er nog nooit over nagedacht. Ik denk ook, dat de plannen een maatje te groot waren, gezien het lage inwonersaantal van onze gemeente en het geringe aantal parochianen (in het begin van de jaren ’40 ruim: 1300).

Tot slot van deze ‘onderwijsaflevering’ kijken we terug naar het verslag van de vergadering van het kerkbestuur van 9 maart 1879. Dat is lang geleden, maar erg interessant om te lezen wat het kerkbestuur toen al bezighield. Hier volgen de notulen, gewaarmerkt en ondertekend door pastoor J.M.Muller en kerkmeester A.Schoorl.

“De vergadering voltallig. Rekening van het vorige jaar nagezien en goedgekeurd. Verder na ontvangsten van kerk- en plaatsengeld en telling der centen uit de kerkebus de wenselijkheid van een school besproken en inzonderheid – voor deze gemeente van mindere omvang- van een zusterschool, vooral met het oog op de bestaande toestanden, daar over het algemeen boven de zeven jaar de jongens niet meer dan negen vierendeelsjaar schoolgaan, terwijl als zodanige Zusterinrichting bestond meisjes tot hun 14en á 15en jaar alle handwerken enz. konden leeren en als de ouders op het land werken kinderen zelfs van twee jaar er in bewaring gegeven kunnen worden.  Tot aanbouw van een school behoorde volgens het gevoelen van het bestuur dan ook weer een post op de begroting gezet te worden, in zooverre dat lijden kon; en terwijl de andere kerkmeesters hunne goedkeuring te kennen gaven, stelde één hunner voor: ‘de pastoor zou rondgaan voor een gesticht van Zusters’.
De schrijver dezes gunde voorlopig de eer daarvan aan de vier kerkmeesters, die dan ieder een gedeelte van de gemeente voor hun rekening konden nemen. Zoo zulks niet geschiede, zou hij op hun voorstel vertrouwens, daaraan beginnen als hij de tijd daartoe gekomen achtte en betuigde dank voor die geuite gevoelens als weerklank der gemeentenaren. Het gevoelen alsdan een gesticht te bouwen zonder de ruimste schuld erop, werd weersproken en ten antwoord gegeven dat voorzitter gewis dacht “als je veel vraagt, krijgt men ook veel en als men weinig vraagt, weinig”. Hiermede liep de vergadering ten einde
(slot notulen)

Er kwam echter niets van de grond, geen kinderbewaarplaats, geen zustergesticht, maar wel in 1889 een parochiële basisschool.  

Hoofdstuk 15
Het vertrek van Pastoor van Berg uit Akersloot – na 25 jaar – betekende ook het einde van een tijperk. Grote veranderingen stonden er te gebeuren, zowel in onze parochie als in de Katholieke Kerk. Die veranderingen liepen door tot ver in de jaren 1990 van de vorige eeuw. Als inleiding op die gebeurtenissen volgt hier een weergave van wat pastoor Hageman in het Groot Memorieboek van onze parochie hierover schreef.
 “Een tijd van grote interne veranderingen en spanningen; felle tegenstellingen tussen behoudenden en vooruitstrevenden. Het Latijnse missaal verdween in de kast; de wet om nuchter te zijn voor het communiceren werd teruggebracht tot één uur, maar verdween in de praktijk. Devoties, H.Hart, Maria, aanbiddingsfeesten, lof, rozenhoedje, brevier; alles blies langzaam de laatste adem uit. Taboes smolten weg en zonden – overtredingen van Gods wet – werden niet meer genoemd. Een zucht van vrijheid ging door alle rangen. De oorbiecht werd geruisloos vervangen door de biechtcelebratie. Er was voortdurend wrijving met Rome – de institutionele Kerk – over catechismus, echtscheidingspraktijken en vele priesters traden uit het ambt, meestal om ( met dispensatie, tot ’55 bijna nooit verleend) te huwen, waarvan sommigen, ondanks verbod, toch bleven voorgaan in de Eucharistie. Weinig priesters lezen de H.Mis privé. Maar al liep het zondagse kerkbezoek terug – nu er niet meer over zonde werd gesproken, bij alle gelegenheden begon het feest met een Eucharistieviering. In de schoolklassen, soms op een ziekenkamer, op het voetbalveld, soms in de bruiloftszaal, zonder liturgische gewaden! Oecumenische diensten in velerlei vormen, ook bij gemengde huwelijken, hadden voor het eerst nog meer krampachtigheid dan het gevoel binnenkort “een” te zijn. Toch was het begrip “Kerk” sterk veranderd, “Christendom “ moest een beweging worden en om alle barricaden te overstappen werd aan dogmatica en tradionele leer weinig waarde gehecht, maar ter terugbrengen van allerlei “stellige theologie” tot het lezen van het evangelie maakte van zeer velen journalisten, verslaggevers, jong kapelaans en oude heren theologen. Waren er oude Akersloters, die vonden dat de oude kerk best opgeknapt kon worden, bij het bisdom, dat eerst de opdracht gaf, begon de mening post te vatten “dat je in deze tijd geen echte kerk moest bouwen. We hadden al weggooi kleren, weggooi huwelijken, weggooi priesters, wat voor kerk moest men nu bouwen? Enfin, de lezer heeft het resultaat gezien. Niet alleen – toch – een bedehuis, een huis van samenkomst rond het altaar. Met het eerste ontwerp van de plattegrond is verwezenlijkt, maar niet direct.

Na het vertrek van pastoor van den Berg werd tot pastoor benoemd, Jacobus J.P. Tesselaar, geboren 16 januari 1905 te Nieuwer-Amstel en priester gewijd op 14 juni 1930. Zijn benoeming is gedateerd op 24 september 1964 en op 9 oktober daar op volgend werd hij feestelijk in zijn nieuwe parochie ontvangen. Na zijn kapelaanjaren (Heemstede, Amsterdam en Haarlem) werd hij op 20 januari 1954 pastoor in Slootdorp en later in de parochie van de H. Elisabeth en Barbara in Haarlem.

Toen de jaren begonnen te tellen vroeg hij de bisschop om een wat kleinere en wat rustiger parochie: dat werd dus Akersloot. Maar niet voor lang: op 16 januari 1966 vertrok hij weer naar Nederhorst den Berg. Na zijn emeritaat vertrok hij met zijn huisgenote naar Lourdes om daar de Nederlandse pelgrims pastoraal te begeleiden. In Lourdes is hij ook gestorven en ligt begraven op het Nederlandse kerkhof.

Eer zeer kortstondig pastoraat dus in Akersloot en in onze parochiegeschiedenis nog nimmer vertoond. Vrijwel direct na zijn komst in onze parochie kwam hij tot de conclusie, dat hij bouwpastoor zou moeten worden van een nieuwe kerk en daar had hij de bisschop niet om gevraagd. Zeer opmerkelijk is dat de bisschop kennelijk ook nog niet op de hoogte was van wat er gaande was rond de bouwvallige kerk in onze parochie. Zijn benoeming is, zoals vermeld, gedateerd 24 september 1964 en in de vergadering van 17 oktober daar op volgend met de nieuwe pastoor en de kerkmeesters kwam het vernietigende rapport van het bisdom ter sprake. Jaren geleden heb ik bij het bisdom al eens geïnformeerd naar deze gang van zaken, maar opheldering kwam er niet. Zij, die het zouden kunnen weten, waren al dood of niet meer bij machte een antwoord te geven. Pastoor Tesselaar werd dus overdonderd door dit nieuws.

Onze kerk vertoonde “ernstige tekenen van verval en dat gold ook de pastorie” vooral de torenspits en de talloze pinakels op het gebouw waren in zeer slechte staat. De technici van het bisdom konden niets anders adviseren dan sloop van de kerk. Niemand in het bestuur van onze kerk en ook daarbuiten vermoedde “dat de toestand zo ernstig was”.

Dus opnieuw een nieuwe pastoor voor Akersloot en dat werd Cornelis Jacobus Hageman, geboren 17 oktober 1915, priester gewijd op 14 mei 1940 en tot dan toe pastoor in Heerhugowaard, van de parochie van de Heilige Familie. Pastoor Hageman kreeg van de bisschop de opdracht een nieuwe kerk te bouwen. Hierover meer in een latere aflevering.

Hoofdstuk 16
Kerk, pastorie en parochie tijdens de oorlogs en bezettingsjaren.
De aflevering van de rubriek ‘Akerslootse pastoors in de 19e en 20e eeuw’ wordt even onderbroken voor een oorlogsverhaal, dat nog nooit eerder is gepubliceerd. De rubriek over de Akerslootse pastoors loopt langzaam naar het einde: ik schat nog een of twee afleveringen.


Tijdens de mobilisatie was de gemeentelijke jachthaven ( thans Laamens ) marinebasis; ouderen herinneren zich vermoedelijk de opstijgende en dalende watervliegtuigen met hun bemanning; altijd weer spannende momenten! In het voorjaar van 1940 kreeg de pastorie inkwartiering van een marineofficier.

Van 1 tot 23 mei  1940 volgde inkwartiering van een Duitse Oberleutnant, aan wie een zitkamer en een slaapkamer werd toegewezen. Zijn adjudant werd bij de familie Sernee ondergebracht. In ons dorp waren in die weken 250 Duitse militairen gelegerd, waarvan 40 in het jeugdhuis.

In oktober 1940 wordt de kerk van verduisteringsgordijnen voorzien, zodat ook in de avonduren de diensten konden doorgaan en er binnen ook voldoende licht is. Het hiervoor uitgedachte systeem werkte uitstekend.

Op 17 februari 1943 werd de katholieke school en een zestal particuliere huizen gevorderd.In de school werden 180 soldaten gelegerd; de officieren betrokken de gevorderde woningen. Het werd geen eenvoudige opgave om 240 leerlingen en circa 75 kleuters elders onder te brengen. Maar het kwam allemaal weer rond, met passen en meten en heel veel goed overleg: de bovenzaal van het parochiehuis, het café van Freek Dekker, een lokaal van de openbare school, de jachthaven, de schuur van kerkmeester Jan Kraakman aan de Raadhuisweg en tenslotte werd de serre van café van Kleef ontruimd voor de kleuters.

Het werd allemaal nog erger, zoals pastoor van den Berg in zijn memoires vermeld. In het voorjaar van 1944 waren er zoveel soldaten in Akersloot dat er geen les meer gegeven kon worden. Niets was normaal meer ; bij toerbeurt werd in de kerk les gegeven totdat er geen brandstof meer was om de kerk te verwarmen.

Het einde van alle ellende was echter nog niet in zicht. De toestand verergerde met bijna 100% toen in september 1944 Velsen, Beverwijk, Velsen-Noord, IJmuiden, en Uitgeest een evacuatiebevel kregen. Ons dorp kreeg er 1500 inwoners bij. In de school werden 7 grote gezinnen ondergebracht en er werd daar ook een baby geboren. Het Sint-Jozef gesticht voor ouderen uit Beverwijk ( 40 ouderen en 12 zusters ) werden in het jeugdhuis en de kleuterschool gehuisvest. Onvoorstelbare toestanden: alles overvol, geen of nauwelijks brandstof, onvoldoende of helemaal geen eten.

In de eerste jaren van de bezetting kon het normale parochieleven nog doorgaan. De kleuter- en de naaischool groeide uit tot 75 respectievelijk 40 leerlingen. Er waren gezins- en vormingsweken onder leiding van de paters Montfortamen ( graag gezien toen in onze parochie ). Pastoor van den Berg vierde zijn zilveren priesterjubileum in een prachtig versierde kerk. De Nederlandse driekleur werd uit de kast gehaald en de harmonie “St. Caecilia” ( voorzien van nieuwe instrumenten ) liet zich niet onbetuigd. De parochie van St., Jacobus liet zich horen en het kon allemaal nog.
Op 18 december 1942 kreeg Akersloot weer een kapelaan: G.C.J. Suyker, opgevolgd door B.J. Tetteroo. Zij kregen de opdracht om de pastoor te ondersteunen in zijn pastorale zorg voor de 1300 Akerslootse parochianen. Maar het liep een beetje anders.

Kapelaan Suyker kwam op 18 december 1942 naar de Akerslootse parochie. Terwijl vijftig Akerslootse jongens uit onze parochie in Duitsland te werk gesteld waren, vond de nieuwe kapelaan een uitgebreid arbeidsveld in de zorg voor de honderden onderduikers, die geestelijk en materiële hulp nodig hadden. Wat betreft het vervalsen van persoonsbewijzen was hij de man, die daarvoor contacten onderhield met de ondergrondse. Ook aan joden schijnt hij hulp gegeven te hebben schrijft pastoor van den Berg in de parochie-annalen. Overigens werd veiligheidshalve hierover geen woord tussen de pastoor en zijn kapelaan gesproken. Wel kunnen we aannemen dat de pastoor van achter zijn brillenglazen de zaak wel in de gaten gehouden heeft. In september 1944 vertrok kapelaan Suyker naar Sassenheim.

Zijn opvolger was kapelaan B.J. Tetteroo, die evenals zijn voorganger zorgde voor het verstrekken van bonkaarten aan onderduikers, zoals ondergetekende uit eigen ervaring weet. Sommige verhalen over de activiteiten van deze kapelaan zijn moeilijk te traceren, maar een feit is dat op de dag van de razzia “1 december 1944”, de pastorie grondig werd doorzocht door de Duitsers, zij het dat ze niet dáár kwamen waar onze herder hen niet wilde hebben, te weten in de kerk. Ook werd regelmatig naar hem gevraagd en zat ondertussen kapelaan Tetteroo met ondergetekende en pater Jan Leyen (toen nog student bij de Missionarissen van (Mill-Hill) veilig en wel onder het hoofdaltaar van onze kerk, waar ruimte genoeg was.

Op de avond van de razzia dook de kapelaan onder en leefde als pater de Bruin bij de zusters in Heemskerk. Toen de kust weer wat veilig leek, benoemde de bisschop hem tot kapelaan in Voorburg, maar dook later toch weer onder diezelfde naam onder in de pastorie van Spierdijk, bij de oudste broer van pastoor van den Berg. In 1945 kwam hij weer boven water.
Het zal de lezers inmiddels duidelijk geworden zijn dat de bonkaarten voor de onderduikers buiten medeweten van wie dan ook via onze pastorie verstrekt werden. Ik kan hier uit eigen ervaring spreken. Was onder pastoor van den Berg onze pastorie een broeinest van verzet? Ik zou dit niet helemaal hard willen beweren, maar men leefde daar toch wel op het randje van levensgevaarlijk handelen, zoals uit het volgende verhaal blijkt.

Toen ik op de razziadag als eerste onder het hoofdaltaar een schuilplaats zocht, werd bij het luik mij de toegang versperd door de plunjezakken van twee gedeserteerde Duitse militairen “hun onderdeel weet ik niet meer”. Met zijn drieën hebben we de plunjezakken met onze eigen handen onder het zand gewerkt, zodat ze niet meer zichtbaar waren bij een eventuele inval. Ongeveer een week later heeft de ondergrondse de plunjezakken opgehaald. Met de gedeserteerde militairen liep het minder goed af; deze begonnen moeilijk te doen, werden gevaarlijk en zijn vervolgens geëxecuteerd.

Alles werd schaarser in het laatste oorlogsjaar. Ook op de pastorie, hoewel; de pastoor en zijn huisgenoten niet vergeten werden door de parochianen. Uiteindelijk woonden de pastoriebewoners bij elkaar op één kamer bij gebrek aan brandstof. Ook waren enkele parochianen gast op de pastorie, omdat er thuis helemaal niets meer te eten viel. De voorraad kaarsen in de kerk werd steeds minder en op een gegeven dag werd ook de laatste kaars gedoofd. Niet anders was het gesteld met de andere benodigdheden voor de eredienst. Kontakten tussen pastoor – deken – bisschop was niet meer mogelijk, of ging soms per koerier, want vanuit de parochie werd ook de bisschop niet vergeten.
Uiteindelijk kwam ook voor onze kerk, de parochie, pastorie, en ons dorp de dag van de bevrijding. Op de eerste zondag ná 5 mei 1945 zette de organist met alle registers van het orgel open het Wilhelmus in; een volle kerk zong ons volkslied mee, met hier en daar een traan. Mét de bevrijding kwamen ook de verhalen los over de gebeurtenissen in de vijf jaren durende oorlog en bezetting. Deze keer ook zo’n verhaal!

Deze rubriek loopt langzaam naar het einde; inmiddels zijn 12 pastoors beschreven in de periode 1839 “pastoor Isink” , tot 1966 “pastoor Tesselaar”. Deze keer de 13e pastoor: Cornelis Jacobus Hageman, die de parochiegemeenschap ingaat als de bouwpastoor van onze huidige kerk. Hij werd geboren op 17 oktober 1915 te Haarlem/Lisse en priester gewijd op 14 oktober 1940, de laatste dag van de oorlog in de meidagen van 1940. Niet in de Haarlemse Kathedraal, maar gewoon in de kapel van heet seminarie in Warmond, vanwege de oorlogsomstandigheden, zonder ouders en familie erbij.

Hoofdstuk 17
Per 23 januari 1966 werd hij in Akersloot benoemd en vertrok 1 juni 1990 als pastoor, maar bleef in Akersloot wonen. Hij overleed op 7 april 1996, 80 jaar oud, en werd vrijdag 12 april daar op volgend begraven op de Jacobshof, in het priestergraf, waar zijn voorgangers van den Berg, Muller en Grijskamp al begraven waren. 

In het vervolg van dit verhaal laten we pastoor Hageman zelf aan het woord en volgen hem aan de hand van een interview met het Noord-Hollands Dagblad/Alkmaarse courant van 20 augustus 1991. Hij is dan een jaar emerituspastoor en dat bevalt hem helemaal niet. Hij moet nog erg wennen aan zijn huis op de Startingerweg en zou nog graag het een en ander doen, maar hij is buiten spel gezet door het klimaat der jaren. We hebben nog enkele wijsheden van hem genoteerd. 

“We leven op de scheiding van verleden en toekomst. Deze nieuwe tijd is een fase in de geschiedenisstroom, waarvan je niet kunt zeggen: dit moet niet, ik hou het bij het oude of ik wil alles nieuw. Ik benijd de jonge mensen van vandaag niet. Ze leven in weelde maar ze zijn hun zekerheden kwijt. Jullie hadden het vroeger maar makkelijk zeggen ze dan, maar ze breken zelf met gevestigde normen en waarden. 

Pastoor Hageman is een gezelligheidsmens, maar is ook een man van boute uitspraken, van revolutionaire filosofieën, van de knuppel in het hoenderhok gooien. Over zijn eigen lichamelijke toestand praat hij nuchter: ik merk nu, dat ik ouder ben dan ik zelf wil toegeven; ik loop slecht, ik zie slecht en ik heb last van mijn hernia; ‘s morgens begin ik de dag met drie verschillende soorten medicijnen en een elastische kous; dat kun je toch geen pretje noemen. 

Kinderen en hun ouders, maar vooral kinderen, hebben zijn hart gestolen. Ze zijn spontaan en ongeremd. Daarom ook ben ik tegen abortus. Voor iedereen is plaats op deze wereld. Misschien moeten we allemaal een beetje opschuiven, maar ook voor mij is destijds plaats gemaakt en daar ben ik nog altijd dankbaar voor. Iedere volwassene heeft zijn eigen geweten. Niet de pastoor moet uitsluitsel geven of iemand voorbehoedsmiddelen gebruikt of niet. Je eigen geweten zal je het antwoord geven. Ik ben nooit zo’n kerkelijk man geweest. De kerk was altijd zo regeerderig. Ik was dolblij dat ik niet meer in het zwart hoefde. Symbolen zijn goed, alles heeft zijn tijd en zijn mode, maar je moet er niet krampachtig aan vast blijven houden. Toch moeten bepaalde tradities doorgegeven worden. Voor kaarsen heb ik nooit een zwak gehad. Ik brand ze nooit. In de loop der tijden zijn de mensen gaan denken dat ik ze spaarde, maar ze raakten gewoon nooit op. Het is goed om dingen ter ere Gods te doen. Bij een overlijden kun je je af vragen; wat laat die persoon na? En dan gaat het niet om de materiële dingen, want die zijn direct van een ander. Nee, het gaat om de geestelijke nalatenschap. Onthoud de mooie herinneringen. Dat is buitengewoon inspirerend voor de rest van je leven”. 

Pastoor Cees Hageman.

“Gelukkig met zijn roeping, blij met zijn leven”.

Een in Memoriam door Gerard Berghuis (april 1996).

Zijn tachtigste verjaardag had hij met volle luister gevierd en op eerste paasdag 1996 is hij gestorven: Cees Hageman, oud pasoor in Akersloot. Hij woonde nog hier, hij vond zich horen bij het meubilair van Akersloot. Hij wilde ook “gewoon” zijn, samen met zijn mensen. Volgens hem is de wereld een gekkenhuis en passen wij daar allemaal in. Dat houdt in, dat hij zich zelf niet uitsluit. Daarom mogen wij ook best een paar gekscherende opmerkingen maken, terwijl het anders altijd is: van de doden niets dan goeds. 

Enkele tientallen jaren geleden heb ik het genoegen gehad om ongeveer twee maanden bij hem op de pastorie te mogen verblijven: eten, drinken en slapen. Het was een goed hotel! Het was er ook gezellig. Hij hield van lekker eten en drinken, op zijn tijd een middagdutje, op zijn tijd in bad en als hij dan ’s avonds naar een vergadering moest, werd er druk getekend op allerlei papiertjes, op de agenda’s, de uitnodigingen en sigaretten- en luciferdoosjes. Organiseren was niet zijn sterkste kant, hoewel hij bijna altijd voor elkaar kreeg wat hij wilde. En praten kon hij als de beste; soms moest je er wel even tijd voor nemen! 

Pastoor Hageman: De Kerk van Hageman! 

Hageman! Zijn trots…..en terecht! Iedereen roemt de mooie kerk met zijn indeling, waarin als vanzelf de mensen zo betrokken worden bij wat zich op het altaar voltrekt. Hij heeft voor zijn kerk gestreden, hij heeft het ontwerp gemaakt, hij heeft in de clinch gelegen met opzichters, architecten en alle andere betweters. Hij wist ook wel waarover hij sprak. Hij kon zelf heel goed tekenen, hij hield erg van kunst, ook van bouwkunst. 

Pastoor Hageman: Zo bleef hij zich noemen, nadat hij eigenlijk al lang geen pastoor van Akersloot meer was; nee, hij is het altijd gebleven. Een pastoor, die heel erg menselijk was. De viering van de eerste Heilige Communie stond bij hem heel hoog aangeschreven, samen met de kinderen. Hij kon ook in veel opzichten met zijn tijd mee; had oog voor het menselijke, voor lief en leed in de gezinnen. Toen oud-pastoor van den Berg nog leefde, bezocht hij hem elke week. Iedere keer was er dan discussie, maar hij had in tegenstelling met pastoor van den Berg toch heel vaak een meer menselijke mening. Hij voelde zich een echte priester van de R.K. Kerk, hoewel hij de strakke leer in sommige opzichten voor zich ook vermenselijkten. En dat…..tekent en siert hem. 

Op de eerste Paasdag is hij gestorven, uitgerekend op het feest van de Verrijzenis.
Het is misschien een boodschap: Het leven gaat verder, het bloeit weer op in de lente. Voor hem is een ander leven begonnen, voor de parochie gaat het leven ook weer door. Pastoor Hageman heeft ook hieraan gewerkt en dat werk gaat nu weer door onder de bezielende leiding van pastor Margot Strak van Schijndel en haar nog nieuwe parochiebestuur. Het is en blijft allemaal erg menselijk: Het begin en het eind van het leven. Moge pastoor Hageman rusten in vrede!

Het volgende gedichtje is typerend voor oud-pastoor Hageman.

            God, gun mij dat ik vissen mag.
            mijn leven lang tot op de dag
            dat ‘k ophaal voor de laatste keer,
            en opgehaald wordt door U, Heer.
            En dat ik uitgesparteld in uw net
            niet ondermaats wordt teruggezet.

Hoofdstuk 17
Dit is de laatste aflevering van de serie “Akerslootse pastoors in de 19e en 20e eeuw”, aan 13 pastoors hebben we aandacht besteed, over een lange periode vanaf 1838 tot en met 1990. Op 1 juli 1990 vertrok de laatste eigen pastoor, pastoor C. Hageman. Al veel eerder werd het langzaam aan duidelijk dat een pastoraal werker of werkster de eerst aanspreekbare pastor in onze parochie zou worden, zij het met een pastoor op afstand. Het aantal priesters, dat beschikbaar was, liep terug en daarmee werd onze parochie voor het eerst en vrij hard en duidelijk geconfronteerd.
Met deze feiten in het vooruitzicht vroeg het kerkbestuur aan vicaris Geukers of het mogelijk was een priester van buiten het bisdom aan te trekken, dien dan de functie van pastoor zou krijgen (28 augustus 1989). Het antwoord hierop bleef lang uit, maar van inwilliging van het verzoek kon geen sprake zijn. Het werd anders geregeld en we moesten ermee leren leven. 

Hieronder volgt een overzicht van de pastoors en de pastoraal werkers en werksters in een nieuw tijdperk van onze parochiegeschiedenis. 

Van 1 juli 1990 tot en met juli 1992: P. Ruiter, tevens pastoor van Limmen.
Van juli 1992 tot 11 december 1993: S.C. Tol, tevens pastoor van Limmen.
Van 11 december 1993 tot 18 april 1994: D. Th. Van Lammeren, oud-missionaris van Mill-Nill
Van 11 december 1993 tot heden N.G.I. Helsloot, tevens pastoor van Heiloo.
Van 15 mei 1988 tot december 1994: N.G.M. Boomars.
Van 1 maart 1995 tot haar overlijden op 29 januari 2004: M. Strack van Schijndel.
Van 1 maart 2004 tot 1 juli 2008: W.J. van Schie.
Van 1 juli 2008 tot heden: H.Hudepohl 

Arie Krom.  


Arie Krom, parochiearchivaris